NederlandsEnglish
 
 
 
 
 
  webquest | Gebit

inleiding | Gebit

Een rontgenfoto van een gebit.
© frankwassenaar.demon.nl
Al sinds het ontstaan van de eerste predatorachtige vissen (roofvissen) zijn er tanden. Deze tanden zorgen ervoor dat we ons vlees kunnen verorberen en ons voedsel kunnen vermalen alvorens het door te slikken. Ook wij als omnivoren hebben duizenden jaren later onze tanden. Onze tanden en kiezen in onze mond vormen samen het gebit. Al voor de geboorte is alles voor de ontwikkeling van het gebit aangelegd. Sommige kinderen worden al met tanden geboren, maar meestal komen de eerste twee snijtanden tussen de 6de en 10de maand. Na ongeveer twee jaar is ons vroege gebit (het melkgebit) af. Daar zullen peuters en kleuters het een tijdje mee moeten doen, totdat ze rond hun zesde beginnen te wisselen. Dit wisselen duurt meestal tot hun twaalfde. Tanden vallen uit en worden vervangen door nieuwe tanden. Deze tanden zijn blijvende tanden. Er komen ook nieuwe extra tanden bij. Rond het twaalfde levensjaar zijn alle tanden vervangen en zitten de extra tanden in het gebit, behalve de verstandskiezen. Deze komen bij de meesten pas rond het 18e levensjaar door. Al die tanden vormen samen het zogenaamde blijvende gebit. We komen hier bij de eerste deelvraag op terug. Het melkgebit bevat tien tanden, het blijvende gebit in totaal zestien. De tandarts noemt de tanden ook wel elementen. Men maakt onderscheid tussen de:
  • Snijtanden De snijtanden zijn de beitels van onze mond. Het zijn hoekvormige tanden aan de voorkant van ons gebit. De voorste twee worden ook wel voortanden genoemd. Als een schaar schuiven de snijtanden boven en onder in elkaar om zo het voedsel te knippen.
  • Hoektanden De hoektanden zitten naast de snijtanden en vormen de messen van onze mond. Ze zullen oorspronkelijk wel wat scherper zijn geweest dan nu. Samen met de snijtanden hebben ze ervoor gezorgd dat de brokken van het voedsel afgescheurd konden worden. Nu zorgen ze er vooral voor dat het eten vastgehouden wordt.
  • Kiezen De kiezen zijn de molenstenen van ons gebit. Onze kiezen zitten van de hoektanden tot helemaal achterin. Ze hebben een breed en knobbelig kauwvlak, die in staat zijn het eten flink te pletten en vermalen.
Tand bestaat voor het grootste deel uit tandbeen. Om het tandbeen zit een dunne laag witte, keiharde glazuur. Dit glazuur is wat je ziet zitten in je mond. Het is de hardste stof die het lichaam kan aanmaken en het bestaat uit fosforzure kalk. Al het glazuur samen om het tandbeen heen noemen we de kroon van de tand. In het tandbeen ligt verder de pulpa. De tand ligt in een holte in het tandvlees, de tandkas. Het onzichtbare deel onder het tandvlees heet de wortel, die op zijn beurt weer is omgeven door een soort beenachtig weefsel: het cement.
In de as van de wortel loopt een kanaaltje dat tot in de pulpa gaat. De pulpa is het binnenste van het tandbeen in de kroon. In dit kanaaltje, het zogenaamde wortelkanaal, liggen kleine bloedvaatjes en zenuwvertakkingen die de tand van voedsel en dergelijke voorzien.