NederlandsEnglish
 
 
 
 
 
  webquest | Polyploïdie

inleiding | Polyploïdie


© edoc.hu-berlin.de
Chromosomen zijn lange moleculen van de stof DNA en bevinden zich in de celkern. Ze bevatten de informatie voor allerlei eigenschappen. Deze code wordt door mRNA overgebracht naar de ribosomen. Deze koppelen verschillende aminozuren aan elkaar zodat er een eiwit ontstaat. In een menselijke celkern komen normaal gesproken 46 chromosomen voor. Van de 46 chromosomen zijn er twee geslachtschromosomen die bepalen of je een man of een vrouw bent. Mensen zijn diploïde. Dit betekent dat ze van elk chromosoom 2 identieke exemplaren hebben. Bij de bevruchting zijn de 23 chromosomen in de eicel samengesmolten met de 23 chromosomen uit de zaadcel. Deze chromosomen vormen paren. Een eicel en een zaadcel noem je haploïd: ze hebben geen dubbele chromosomen. Er zijn ook organismen die niet diploïd zijn, maar triploïd, of tetraploïd. Dat betekent dat ze in plaats van paren chromosomen, drie (tri) of vier (tetra) van elk chromosoom in de celkernen hebben. Zodra organismen meer dan 4 dezelfde chromosomen in elke celkern hebben, noem je ze officieel polyploïd, maar deze term wordt ook wel gebruik als organismen tri- of tetraploïd zijn. Een enkele keer wordt er nog wel eens een baby met een triploïd aantal chromosomen geboren. Zo’n kind overlijdt meestal binnen enkele dagen aan de vele ernstige afwijkingen die het vertoont. Triploïdie en tetraploïdie komen relatief veel bij miskramen voor. Er zijn ook organismen waarbij het niet de dood als gevolg heeft. Het kan bij sommige plantensoorten ook leiden tot grotere delen van planten, bijvoorbeeld grotere bloemen of grotere vruchten. En hier wordt in de landbouw regelmatig gebruik van gemaakt, omdat een grotere omvang meer geld oplevert.